Naoorlogse periode en Arabische wereld (1945–1970)
Wet ter ontneming van nationaliteit en invriezing van goederen
Mars 1950 – mars 1951·Irak
De balans wordt weergegeven zoals de bron die opschrijft — nooit afgerond, nooit bij een andere opgeteld. De balansen overlappen elkaar van de ene gebeurtenis op de andere.
Joden die vertrekken verliezen de nationaliteit en al hun bezittingen
De joodse gemeenschap van Bagdad, Basra en Mosul was de directe erfgenaam van de Babylonische ballingschap en behoorde tot de oudste en meest geletterde ter wereld. Na de pogrom van de Farhoud en de oorlog in Palestina was haar situatie verslechterd: arrestaties, uitsluitingen van overheidsfuncties, rechtszaken.
Het parlement nam in maart een wet aan die Joden toestond het land te verlaten op voorwaarde dat zij afstand deden van de Iraakse nationaliteit. Een jaar later bevroor een tweede wet de bezittingen van hen die waren vertrokken. De families verlieten Irak dus beroofd van alles wat zij bezaten.
In minder dan twee jaar werd vrijwel de gehele gemeenschap naar Israël overgebracht. Dit betekende het einde van een ononderbroken joodse aanwezigheid van tweeduizend vijfhonderd jaar in Mesopotamië.
- Periode :
- Naoorlogse periode en Arabische wereld (1945–1970)
- Aard :
- Vervolging
- Regio :
- Nabije en Midden-Oosten
- Land :
- Irak
Norman A. Stillman, *The Jews of Arab Lands in Modern Times* ; Nissim Rejwan, *The Jews of Iraq*.