- Hebreeuwse naam
- שְׁמוֹת
- Boek
- Exodus
- Verzen
- Ex 1,1–6,1
- Haftara
- Is 27,6–28,13
Het boek opent zich op namen — dat is zijn titel — en vervolgens op hun uitwissing: een farao « die Joseph niet kende » reduceert personen tot arbeidskrachten. Daartegen verzetten twee vroedvrouwen, Shifra en Poua, zich; de tekst noemt hen, terwijl zij de farao niet noemt. Het Joodse geheugen heeft deze asymmetrie vastgehouden: de verzetsplegers worden genoemd, de tiratten zijn functies.